Wie ben jij? Het is een heel precieze vraag die al snel te algemeen beantwoord wordt. Welk antwoord volstaat hangt nauw samen met de context. Gaat het om vaststellen dat jij de persoon bent die je zegt te zijn? Of gaat de vraag over jouw eigenschappen, aard en hoedanigheid* ? Welk voordeel heeft het om identiteit te ontleden in hoe we ermee omgaan?
(* Definitie, Van Dale)
Door te begrijpen hoe ‘identiteit’ als fenomeen in elkaar zit, kunnen we vanuit ons vermogen onze eigenschappen zo volledig mogelijk benutten. Als we deze in onze omgeving toepassen, kunnen we het meest adequaat omgaan met bijvoorbeeld feedback vanwege de 1:1 relatie ertussen.
Laten we dieper ingaan op het tweede deel van de definitie: “eigenschappen, aard en hoedanigheid”. Dit gaat om het wezensvraagstuk van een individu of groep. Het gaat bijvoorbeeld om hoe zij zich van nature:
- tot anderen verhouden
- door ruimte bewegen
- manifesteren (invloed)
De toevoeging “van nature” is hierin belangrijk omdat eigenschappen intrinsiek zijn. Dus in het ‘zijn’ zitten opgesloten, zonder tussenkomst van conceptualisering bijvoorbeeld. Of deze conceptualisering nu van binnen- of buitenaf komt. Het is goed om hier bij stil te staan wat dit werkelijk betekent en op welk niveau.
Denken versus wat gedacht wordt
Als we nadenken over wie we zijn, bestaat de kans dat we een verbeelding opbouwen over wie we willen zijn. Dit kan ons zelfvertrouwen geven maar welke invloed heeft het uitgaan van niet lichaamseigen eigenschappen op het functioneren? Daarbij is de vraag relevant of de manier van denken ook eigenschappen zijn die ons in onze identiteit kenmerken. Hier dient zich het verschil aan in denken en wat gedacht wordt. De gedachten zijn het product van het denken en geven daarbij blijk van onderliggende eigenschappen maar zijn niet de eigenschappen zelf. Kunnen we stellen dat de intrinsieke identiteit het meest waarheidsgetrouw is? Het vraagt een geoefende manier van waarnemen om deze oorspronkelijke vorm niet aan te tasten. Om er geen ‘concept’ in zichzelf van te maken en om via interactie het leerproces aan te gaan om steeds iets dichter bij de wezenlijke identiteit te komen.
Referentie identiteit
Gedachten over wie we (willen) zijn, maken vanuit dit perspectief geen direct deel uit van de intrinsieke identiteit maar hebben wel zo hun rol en waarde. Bijvoorbeeld bij het overbruggen van het eigen zijn naar het maatschappelijke domein. Of om te navigeren langs waarden die we belangrijk vinden. Omdat deze gedachten slechts indirect op onze identiteit betrekking hebben en in meer of mindere mate gemengd worden met andere gedachten over bijvoorbeeld functioneren, vormen zij vanuit meerdere perspectieven een referentie in relatie tot de intrinsieke identiteit. De referentie wordt gevormd door een behoefte, wil of verlangen. Laten we dit de referentie-identiteit noemen om vermenging van beiden te vermijden en zo de kracht van beiden te behouden.
De volgende voorbeelden geven meer context bij het begrip ‘referentie’. Ze gaan allen over een situatie waarin het individu zich begeeft vanuit een behoefte, wil of verlangen.
- uitvergroten van positieve eigenschappen
- jezelf gewenste eigenschappen toedichten vanuit een referentiekader
- in sociaal verband representatie van eigenschappen nastreven
- een rol vervullen waarop de persoonlijke eigenschappen niet aansluiten
Het samenspel van de intrinsieke identiteit en de referentie identiteit resulteert in een functionele identiteit.
II + RI = FI
Functionele identiteit is een praktische variant met ‘maatwerk’ ten behoeve van het eigen functioneren. Het ‘maatwerk’ lijkt een springplank functie te hebben. Om bijvoorbeeld onderscheidingskracht te etaleren. Maar in welke mate belemmert het juist het functioneren op langere termijn? Wat zou er gebeuren als we dit zo klein mogelijk proberen te houden en zoveel mogelijk leven in de oorspronkelijke intrinsieke identiteit?
Als we intrinsieke identiteit en referentie identiteit zonder nadere context bij elkaar zouden ‘optellen’, dan impliceert dit dat ze beiden even benaderbaar zijn. De intrinsieke identiteit ontvouwt zich echter integraal. Ruis bij waarnemen dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. De mate waarin we slagen om die ruis klein te houden (zowel bij interne- als ook bij externe waarnemingen), geeft aan in hoeverre de intrinsieke identiteit heel blijft in geval we met die identiteit omgaan. De formule breiden we als volgt uit:
(II/WR) + RI = FI
Het deel van intrinsieke identiteit dat niet via deze praktische route benaderbaar is, wordt niet opgenomen in de functionele identiteit maar heeft wel z’n uitwerking via integraal resoneren. Hierdoor wordt het functionele deel opgeheven en blijft er een samengesteld deel over. Deze voegen we als volgt toe:
II / (IR + WR) + RI = SI
Het belang van deze formule is dat we goed zien hoe de componenten zijn opgebouwd en daarmee de dynamiek die de delen inbrengen. De samengestelde identiteit is dus niet zomaar vastomlijnd te duiden. En dat deel wat wel beter te duiden is, is een afgeleide van de intrinsieke identiteit (functionele deel). Dit roept de vraag op waar de waardeniveaus van identiteit te vinden zijn.
Waardeniveaus
Bij het verwoorden van individuele eigenschappen in een gemeenschappelijke taal, verwijzen vele eigenschappen niet specifiek naar het betreffende individu. Juist door het samenstel van eigenschappen en specifieke aard ervan, krijgen de eigenschappen de kracht van identiteit. Op welk niveau van eigenschappen bevindt zich deze slagkracht?
Wat verstaan we onder ‘waarde’ bij waardeniveaus van identiteit? Het gaat om de kwalitatieve waarde die verbonden is met het persoonlijke ‘zijn’. Bij intrinsieke identiteit zit deze in de diepere, oorspronkelijke, lagen. Waar in het functionele deel vindt een lichaamseigen slagkracht van identiteit plaats? En binnen het samengestelde?
Laten we deze vragen gebruiken om voor jezelf na te gaan waar jouw slagkracht van identiteit zit. En hoe groot jouw functionele deel is en of je erin slaagt om vooral het intrinsieke deel te laten verschijnen zonder er invloed op te willen hebben.
Stel een persoon beweert dat hij lief is tegen anderen, hij vindt dat dit in zijn aard zit. Dat behoort dan dus volgens de tekst tot zijn intrinsieke identiteit.
Behalve als hij dit ´vergroot´, wellicht is hij dus eigenlijk niet lief maar praat hij zichzelf aan dat hij dat wel is. Dan zou het behoren tot zijn referentie identiteit.
Maar hoe wordt er bepaald of hij daadwerkelijk lief is in zijn aard, of dat hij lief zou willen zijn?
Stel de persoon is er dus van overtuigd dat hij lief is, maar iedereen in zijn omgeving zegt dat hij onaardig is. Welke behoort dan tot zijn identiteit?
En hoe zit het dan met mensen met een persoonlijkheidsstoornis? Bepaalde mensen hebben bijvoorbeeld de ervaring meerdere ‘personages’ in zich te hebben. Stel een vrouw heeft de personages Mark, die heel sociaal is, en Jessica wie juist anti-sociaal is. Wat is de identiteit dan van de vrouw? Of behoort de stoornis tot haar identiteit?
Zou je een voorbeeld kunnen geven van de beschrijving van iemands identiteit? Hoe zou je jouw identiteit beschrijven?
Kan een identiteit bepaalt worden met een vragenlijst zoals ze bepaalde persoonlijkheidstypes meten (Big Five bijvoorbeeld)? En bij persoonlijkheidstypes heb je bepaalde begrippen die worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld introvert. Welke begrippen kan je gebruiken om een identiteit te beschrijven? Kan je “lief” gebruiken of is dit alleen een specifieke en persoonlijke opvatting van een bepaald gedrag of ding etc.?
+ ik had de formule ook graag eenmaal uitgeschreven willen lezen want ik weet nu niet waar WR SI voor staan, maar dat zou ik ook over het hoofd hebben kunnen zien.
Dank je wel voor jouw vragen Noa. Intrinsieke identiteit ervaar ik als een waarde die integraal onderdeel is van ons zijn en zich van daaruit ontvouwt; zonder tussenkomst van bijvoorbeeld interpretatie. Eigenschappen die iemand voor zich ziet behoren dan tot de referentie identiteit. Integrale waarden blijken over situaties, door tijd en langs vele perspectieven heen. De mate waarin we integrale waarden in hun bron kunnen zien verschijnen, hangt samen met de kunst van het open waarnemen.
Ook identiteit ervaar ik als gelaagd waarbij er een pluriform verschijnen zich voltrekt. Dat maakt ook dat het zich niet nestelt in één vorm, begrip of aanduiding. De waarden gaan direct over de entiteit waardoor dwarsverbanden door collectieve structuren een andere lading geven. Meer onderzoek door het fenomeen heen, draagt mijns inziens bij; bijvoorbeeld aan maatschappelijke cohesie.